Contextuele hulp binnen de werkomgeving

Contextuele hulpverlening voor werknemers kan zowel door de werkgever als door de werknemer worden geïnitieerd. Bij aanvang wordt duidelijk vastgesteld wie de advies- of hulpvraag heeft: de werknemer, de leidinggevende of beiden.

In een eerste gesprek gaan we eerst feiten in kaart brengen. Binnen de contextuele hulpverlening staat de relatie centraal en is de scheiding werk/privé niet zo relevant. Mensen blijken (veelal onbewust) op het werk op dezelfde manier met hun relaties om te gaan als thuis. Sterker nog: in onze eerste levensjaren in ons gezin van herkomst wordt in hoofdzaak bepaald hoe we ons opstellen in relaties. Niet alleen een organogram en een relatiediagram van de werkomgeving, maar ook een genogram wordt opgesteld als verhelderend hulpmiddel.

Een genogram (een weergave van de familiegeschiedenis) helpt mensen om onder woorden te brengen wat de hen al zo bekende situatie is. In dat eerste gesprek (of indien nodig in vervolggesprekken) wordt gewerkt aan het formuleren van een duidelijke hulpvraag. Een bij de hulpvraag passend plan van aanpak wordt met de cliënt besproken zodat op ieder moment geheel duidelijk is waaraan gewerkt wordt.

De aanpak is er altijd op gericht om cliënten zelf in het denken doen en beleven te stimuleren en verder te helpen. Hierbij worden voor hen wezenlijke relaties betrokken in de gesprekken. Indien mogelijk en gewenst kunnen deze relaties ook als hulpbron bij een of meer gesprekken uitgenodigd worden.

Meerzijdig partijdig

In de gesprekken neemt de hulpverlener een meerzijdig partijdige houding in. Wat wil dat zeggen? Hoe prettig het kortdurend misschien ook is: niemand heeft er wat aan om alleen maar te horen 'wat erg voor u, wat een nare vader en moeder had u!' of 'met zo'n leidinggevende zou ik ook ziek worden!'. Een dergelijke uitspraak zult u als het goed is niet horen van een contextueel hulpverlener. De meerzijdig partijdige gesprekshouding houdt in dat de hulpverlener wisselend de positie inneemt van de personen waar de cliënt over vertelt. Dit helpt het de cliënt om meer zicht te krijgen op de relationele werkelijkheid, op de ander én op zichzelf. De meerzijdig partijdige houding betekent dus niet dat de hulpverlener tegenover u als cliënt komt te staan of foute dingen goed gaat praten.

De hulpverlener helpt de cliënt dus een ervaren probleem van allerlei kanten te bekijken. Veelal ontdekt de cliënt hierbij zelf nieuwe inzichten die kunnen helpen om oude patronen te ontrafelen.

Praktijk-voorbeeld

Theo werkt al meer dan 20 jaar bij een verpakkingsproducent. Alhoewel hij niet veel opleidingen heeft genoten is hij door de praktijk de vraagbaak voor iedereen geworden. Recentelijk is een nieuwe productiemachine aangeschaft waar Theo niet mee overweg kan omdat er specialistische programmeerkennis voor nodig is. Theo's unieke positie als vraagbaak is daardoor minder belangrijk geworden en alhoewel iedereen hem roemt om zijn sociale rol binnen het bedrijf gaat het met Theo steeds minder goed. Hij wordt neerslachtig, meldt zich steeds vaker ziek en zit sinds kort met 'burn-out' gerelateerde klachten thuis.

Theo's werkgever vraagt een aantal gesprekken bij Remember met hem aan. De gesprekken vinden plaats op het werk. Voor Theo is dat eerst even wennen, maar na duidelijke afspraken lucht het hem op om zijn collega's weer even te ontmoeten.

In een viertal gesprekken verspreid over 2 maanden wordt met Theo doorgepraat over zijn werkverleden. Theo snapt heel goed dat de technologische vooruitgang niet tegen te houden is en aanvankelijk is het voor hem een raadsel waarom hij zo neerslachtig wordt. Na afloop van de gesprekken heeft Theo zelf inzicht gekregen wat nu de angel was die voor hem tot een probleem werd. Als kind was Theo gewend 'gezien te worden' door waardevol te zijn voor zijn familie en vriendjes. In het drukke gezin waar hij uit kwam was dat dé manier geworden die hem eigen was geworden om 'zichtbaar te worden'. Theo legde zelf de link naar de werkvloer: niet alleen was het prettig om vraagbaak voor collega's te zijn, het was voor hem dé manier geworden om zijn bestaansrecht elke keer weer te verzekeren.

In de gesprekken krijgt Theo erkenning voor de last die dit met zich mee heeft gebracht. In een gesprek met zijn leidinggevende verwoordt Theo zelf hoe hij zijn neerslachtigheid verklaart. Alhoewel het niet zomaar verandert door het anders te willen blijkt het wel dé stap naar verbetering te zijn als Theo inziet dat hij van waarde is om wie hij is en niet alleen maar door elke keer weer zich te bewijzen.

Theo ziet het zitten om weer te gaan werken. Nu hij niet meer zo nodig zich bewijzen moet blijkt er de nodige ontspanning te zijn gekomen om zijn plekje weer te vinden in het veranderende bedrijf.